Verwarmen van je planten

door Kimber Miedema, architectuurhistoricus

Van oudsher pronkten de bewoners van kastelen en buitenplaatsen met planten en bomen die afkomstig waren uit verre oorden. Het aantal en de diversiteit aan (sub)tropische planten en bomen vormden een graadmeter voor het aanzien en het welzijn van de bewoners. Naast de plantencollecties waren de gebouwen waarin zij tijdens de koude wintermaanden werden opgeslagen zelf ook onderhevig aan de (modegevoelige) wensen van de bewoners en bovenal de ontwikkelingen op het gebied van verwarmingstechnische innovatie. En ook voor de bouwfysische kennis werd over de landsgrenzen heen gekeken.

Koppositie

Om de vorstgevoelige planten en bomen de Nederlandse winters te laten overleven, werden deze in kuipen geplaatst en tijdens de koude maanden opgesteld in oranjerieën, die al dan niet werden verwarmd. Deze gebouwen waren ontworpen om de planten en bomen een warme en beschutte omgeving te bieden. Oranjerieën dienden aanvankelijk als overwinteringplaats voor citrussoorten waaronder sinaasappelbomen; de naam is afgeleid van het Franse oranger. Later kwamen daar de exoten uit de koloniën bij.

In de zeventiende eeuw liep Nederland door de internationale handel en de daaruit voortvloeiende welvaart in de zeventiende eeuw voorop in de kennisontwikkeling van uitheemse planten en bomen en de daarmee gemoeide verzorging. Botanici, hoveniers en vermogende particulieren hielden zich bezig met het onderzoek naar en het verder opkweken van deze planten en bomen. De Hollandse tuinen werden vol lof omschreven in publicaties van Engelse botanici en dienden ter inspiratie van de eigen tuinen. Nederland had op dat moment een koppositie weten te bemachtigen op het gebied van botanie en horticultuur.

Illustraties in Den Nederlandsen Hovenier (1669) van Jan van der Groen (d. 1674) met onder meer ideale opstelling van planten en bomen in een oranjerie.

Rookontwikkeling en brandgevaar

Vanaf het midden van de zestiende eeuw specialiseerden botanici, verbonden aan universiteiten, zich in uitheemse planten en bomen en bouwden hun eigen plantencollecties op. Binnen de muren van de universiteiten werd al vroeg onderzoek gedaan naar de meest effectieve manieren om (sub)tropische planten en bomen te verzorgen. Aanvankelijk werden provisorische constructies en gebouwen gerealiseerd en verwarmd met open vuur of ijzeren kachels, die opgestookt werden met behulp van houtskool, hout of turf. Vanwege de ongelijkmatige verdeling van de hitte bleek deze vorm van verwarmen niet ideaal. Bovendien vereiste het opkweken en verzorgen van nieuwe soorten een meer vernuftige wijze van verwarmen. Voor een meer gelijkmatige verdeling van de hitte werd overgegaan op een centraal verwarmingssysteem, waarbij de warmte buiten de oranjerie werd opgewekt en via rookkanalen door de oranjerie werd verspreid. Dat ook het verwarmen met hete lucht niet ideaal was, zorgde ervoor dat de ontwikkelingen bleven doorgaan. Opnieuw vloeide de kennis voort uit het oplossen van een schadelijk probleem in relatie tot de verzorging van planten en bomen, in dit geval rookontwikkeling en brandgevaar.

Illustraties in Kalendarium Hortense (1691) van hovenier John Evelyn (1620-1702) met onder meer de ideale opzet van een verwarmingssysteem, waar de nadruk ligt op zowel verwarmen als ventileren.

Innovatie van technieken

Halverwege de achttiende eeuw werd Nederland ingehaald door Engeland, waar de ontwikkelingen op het gebied van verwarmingstechnieken door de industrialisatie een vlucht hadden genomen. De innovatie van technieken ging tevens gepaard met een verschuiving van kennis. Waar aanvankelijk botanici zich vanuit de botanie richtten op de verwarming van oranjerieën werden zij vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw bijgestaan door ingenieurs. Zij interesseerden zich in en hielden zich bezig met de innovatie en ontwikkeling van de technieken. De uitvinding van de stoomverwarming en warm- en heetwaterverwarming (verwarmen op basis van warmtegeleiding) in de achttiende eeuw zorgde voor een doorbraak in de technische ontwikkelingen van verwarmingen door de mechanisatie van het verwarmingsproces. Dit gaf een aanzienlijke impuls aan het wetenschappelijk debat en een verwetenschappelijking van het vraagstuk. Naast het oplossen van schadelijke problemen in relatie tot de verzorging van planten en bomen kwam ook de doeltreffendheid en efficiëntie van de installaties centraal te staan.

Internationale kennisnetwerken

Interessant in het historisch onderzoek naar deze ontwikkelingen op het gebied van verwarmingstechnische innovatie in oranjerieën zijn de onderliggende (internationale) kennisnetwerken en de wijze waarop kennis werd uitgewisseld tussen botanici, hoveniers, ingenieurs en particuliere eigenaren. Zowel botanici en hoveniers als ingenieurs publiceerden gedrukte boeken om hun kennis te verspreiden, waarbij de nadruk veelal lag op het praktisch karakter van de publicaties. In tegenstelling tot botanici en hoveniers publiceerden ingenieurs ook veel in vakbladen en brochures om het vlotte tempo van de technische ontwikkelingen bij te houden. Daarnaast bestond het netwerk van ingenieurs met name uit professionele vakgenoten, terwijl botanici en hoveniers meer in contact stonden met uiteenlopende personen, die allen een fascinatie hadden voor het verzamelen van planten en bomen. Door de internationale handel en de daaruit voortvloeiende welvaart verwierven botanici, hoveniers en vermogende particulieren veel faam met hun tuinen en plantencollecties. Het bezitten en uitbreiden van een plantencollectie en het vergaren en uitwisselen van kennis en ervaring hing daarbij sterk samen met een goed netwerk van hooggeplaatste connecties en was daarmee enkel weggelegd voor personen uit de hogere sociale klassen. Het behouden van die positie, met name onder de particuliere eigenaren, hing vooral af van de financiële middelen en de interesse van het nageslacht.

De tuin van Middachten in bloei met de kuipplanten gerangschikt opgesteld in de borders langs de paden. ©Helene’s Beeld

John Claudius Loudon (1783-1843) somt in zijn Remarks on the construction of Hothouses (1817) de verbeteringen op die vanaf Evelyn’s tijd in Engeland zijn gemaakt en elkaar in rap tempo opvolgden, waarbij ook met een schuin oog naar Nederland werd gekeken en vice versa.

Hernieuwde aandacht

Hoewel er door de industrialisatie een kloof was ontstaan in kennis en innovatie, werden de technische ontwikkelingen aan het begin van de negentiende eeuw in Nederland weer opgepikt, onder meer door vertalingen van Engelstalige publicaties. Uiteindelijk gingen de technische ontwikkelingen in installatietechnieken ook een belangrijke rol spelen in de moderniseringen van woonhuizen en publieke gebouwen. De fascinatie voor het verzamelen van planten en bomen en het bouwen van oranjerieën nam in de negentiende en twintigste eeuw echter steeds meer af. Opvallend is dat er tegenwoordig weer meer aandacht is voor oranjerieën en haar immateriële cultuur en dat er zelf ‘nieuwe oude’ oranjerieën worden gebouwd en plantencollecties worden verzameld, denk aan de particuliere collecties op Landfort, De Leemcule, Hindersteyn en Schatzenburg. Gelukkig hebben ook enkele oranjerieën en collecties de tand des tijds overleefd, zoals op Paleis Het Loo, Middachten en Twickel. De grootschalige studie over de geschiedenis, de ontwikkeling en het behoud van oranjerieën en haar cultuur die Stichting In Arcadië momenteel onderneemt, zal allicht meer licht laten schijnen op dit bijzondere erfgoed.

Dit artikel is een korte bewerking van de masterscriptie ‘Van vuur naar water: De kennisuitwisseling tussen Nederland en Engeland op het gebied van verwarmingstechnische innovatie in oranjerieën,1600-1840’. Benieuwd naar de hele scriptie? Neemt u dan contact op met Kimber Miedema via kimber.miedema@hotmail.com.

Scroll naar boven