Door Yvonne Molenaar | Foto’s Trudelies de Graaf
Na jaren van onderzoek, voorbereiding en restauratie opende Hendrick de Keyser Monumenten (HdK) eind juni de nieuwe permanente presentatie van Museumhuis Beeckestijn: ‘een (on)fortuinlijke buitenplaats’. De presentatie dompelt de bezoeker onder in de grandeur, het verval en de wederopstanding van deze bijzondere buitenplaats met allure.
‘Beeckestijn oogt smetteloos, alsof het sinds de 18e eeuw nauwelijks is veranderd. Maar dat is schijn,’ aldus Hoofd onderzoek Valentijn Carbo. ‘Het huis was in 1953 nog een ruïne. Wat je nu ziet, is een zorgvuldig opgebouwde reconstructie van een lange, soms wankele geschiedenis.’

Museumhuis Beeckestijn te Velsen
Verhalen vertellen door deuren te openen
Beeckestijn neemt een sleutelpositie in binnen de huizencollectie van Hendrick de Keyser. Sinds 2007 is HdK eigenaar van het landhuis van Beeckestijn; later volgden de koetshuizen en de neogotische kapelwoning. Samen met de tuinen – in beheer bij Natuurmonumenten – vormen zij een compleet buitenplaats-ensemble. De buitenplaats is exemplarisch voor de 18e-eeuwse wooncultuur van de Nederlandse elite en sluit perfect aan bij de missie van de vereniging: het vertellen van de ontwikkeling van het Nederlandse woonhuis, bezien als ‘een collectie van bewoonde monumenten’.
‘Alle facetten van ons werk komen hier samen: behoud, bewoning, beleving, participatie en presentatie,’ zegt Carbo. Naast het museum kan men op het landgoed overnachten in de kapelwoning – een voormalige tuinderswoning – en evenementen organiseren in het koetshuis.

De hoofdteksten staan in het huis afgedrukt op kamerschermen, geïnspireerd op een kostbaar Japans lakscherm uit de bezittingen van Petronella van Hoorn.
Een (on)fortuinlijke buitenplaats
Beeckestijn is geen ongeschonden symbool van voorspoed. Daarom is als rode draad van de presentatie gekozen voor het narratief van de (on)fortuinlijke buitenplaats. Dit overkoepelende verhaal benadrukt de wisselvallige geschiedenis van Beeckestijn: van welvaart en bloei tot verval en redding. Die gelaagdheid wordt verteld aan de hand van vier verhaallijnen, die samen de ruim 300 jaar geschiedenis tastbaar maken:
- de welvaart en ambities van de Amsterdamse elite in de 18e eeuw
- de bewoning door zes generaties eigenaren van de familie Boreel en hun stempel op het huis en zijn cultuur van gastvrijheid, de decoraties en tuinarchitectuur
- de periode van huurders en bezetters – met als absoluut dieptepunt de schade na de Tweede Wereldoorlog
- de ‘wederopstanding’ van de buitenplaats, dankzij betrokken burgers en erfgoedorganisaties, die zich na 1953 inzetten om de buitenplaats van de sloop te redden en opnieuw tot leven te wekken.



Bezoekers zijn letterlijk te gast in huis en worden uitgenodigd zich ook zo te gedragen.
Toonbeeld van representativiteit
De eerste verhaallijn richt zich op de families Trip en Van Hoorn, die in de vroege 18e eeuw het huis verbouwden tot een statige buitenplaats, als toonbeeld van representativiteit.
‘Beeckestijn was natuurlijk te doen om indruk te maken. Alles draaide om representativiteit. Je zou kunnen zeggen dat het societyleven van de stad, wat in de wintermaanden in Amsterdam plaatsvond, zich verplaatste naar de zomer buiten de stad’, aldus Carbo.
Hun rijkdom, mede vergaard in het koloniale netwerk van de VOC, is nog steeds zichtbaar in het interieur en de objecten. ‘Hoe bespreek je dat wat heel ver weg, overzees, buiten deze muren van de buitenplaats plaatsvond, en hoe dat weer terugkwam hier op de buitenplaats in producten, in geld en in geschenken?’ Cathelijne Vreugdenhil, teamleider Presentatie, benadrukt dat in de presentatie ook aandacht wordt besteed aan de schaduwkant van de vergaarde rijkdom door het mondiale koloniale systeem.

Het opvallende vogeltjesbehang in de VOC-kamer is geïnspireerd op de gevonden restanten van een vroeger behang in deze kamer.

Deze kindertekening van Catharina Boreel van twee rijk geklede dames in een tuin biedt een naïeve, maar levendige inkijk in het sociale leven op Beeckestijn. Collectie Familiearchief Boreel, in beheer bij Nationaal Archief.
Zintuigen en aanraken: het museumhuis als thuis
Hendrick de Keyser hanteert de methodiek van The Anarchist’s Guide to Historic House Museums als presentatievorm. Geen bordjes met ‘Niet aanraken’, maar open laden, voelbare stoffen, geurdoosjes met specerijen en interactieve elementen zoals het ‘Rad van Fortuin’. Kinderen gaan op speurtocht, volwassenen mogen op antieke stoelen zitten en kunnen een boek ter hand nemen. In plaats van te kijken naar vitrines, beleeft de bezoeker het huis. ‘Het belangrijkste woord bij onze presentatie is “overheersen”, in de zin van “het huis” moet domineren, niet de museuminrichting’, aldus Vreugdenhil.
In de keuken hangt een borduurwerk gemaakt door lokale vrijwilligers, waarop het vaak onzichtbare personeel in beeld is gebracht. In de zolderkamer kunnen bezoekers hun eigen herinneringen aan de plek achterlaten. Het museumhuis is meer dan een nostalgisch decor, het nodigt uit tot interactie, reflectie en verwondering.


De perziken op de gedekte tafel verwijzen naar een brief van Jacob Boreel aan zijn moeder, waarin hij schrijft over een zending perziken die hij uit de tuin van Beeckestijn stuurde naar zijn contacten aan het Engelse hof: een mooi voorbeeld van de internationale allure van de buitenplaats.
Beeckestijn in de collectie én het Museumregister
De presentatie van Beeckestijn komt voort uit een intensief interdisciplinair onderzoek en het inzetten van de volle breedte van de HdK-organisatie. Van de eigen interieurteams tot vrijwilligersgroepen, van historisch archiefonderzoek tot publieksinteractie; alles is doordacht en afgestemd op een breed publiek. ‘We hebben het huis nooit opgevat als decor, maar als bron. Het herbergt sporen van 300 jaar gebruik en bewoning’, aldus Carbo.
Dat deze aanpak nu ook museaal wordt erkend, blijkt uit de recente opname van Huis Barnaart in Haarlem in het officiële Museumregister. Beeckestijn volgt naar verwachting snel. ‘Dat is een enorme erkenning voor onze tactiele benadering’, aldus directeur Wieske Wijngaards. ‘We moesten jarenlang uitleggen waarom je bij ons wél mag aanraken. Nu is het officieel: ook een huis waar je aan mag zitten, is een museum.’
De Anarchist’s Guide to Historic House Museums
Deze Amerikaanse methodiek pleit voor het heroverwegen van de rol van historische huizen in het museale landschap. Weg van de formele, afstandelijke presentatie van erfgoed, wil de Anarchist’s Guide juist ruimte maken voor participatie, tastzin, meerstemmigheid en huiselijkheid. Historische huizen zijn geen heiligdommen, maar sociale plekken waar bezoekers zich moeten kunnen verhouden tot het verleden. Ook bij Museumhuis Beeckesteijn is deze filosofie voelbaar tot in de kleinste details: van het potje specerijen tot de zachte kussens in de salon.
