Veel restauratieprojecten op landgoed Keukenhof

door Lenneke Berkhout, redacteur

De Stationsweg in Lisse snijdt landgoed Keukenhof in tweeën. Aan de ene kant van de weg bevindt zich het besloten deel waar de beroemde bloemtentoonstelling plaatsvindt; aan de andere kant staat het kasteel met de bijgebouwen in het openbare deel van het park. Pogingen in de negentiende eeuw om de weg op te heffen en een geheel van het landgoed te maken, mislukten. Vandaar dat het fraaie landschapspark dat Jan David Zocher jr in 1854 ontwierp nog steeds wordt doorsneden. De historische toegang tot het kasteel is het negentiende-eeuwse smeedijzeren Rozenhek dat naast de moderne toegangsweg ligt. Het hek is na historisch voorbeeld hersteld en op de oorspronkelijk plek teruggeplaatst.

De geschiedenis van de Keukenhof gaat terug tot 1638, toen de rijke VOC-functionaris Adriaen Maertensz Block hier een buitenplaats liet bouwen. De naam Keukenhouff die hij aan zijn buitenplaats gaf was goed gekozen. Zeven kilometer verderop lag slot Teylingen, waar Jacoba van Beieren, gravin van Holland en Zeeland, twee eeuwen eerder naartoe was verbannen. Het laag begroeide bos- en duingebied bij het slot heette Keukenbos en Keukenduin en werd gebruikt als jachtgebied voor haar tafel en keuken.
Keukenhof wisselde enkele malen van eigenaar, waarna Johan Steengracht van Oostcapelle de buitenplaats in 1809 kocht en redde van de ondergang. Zijn dochter Cecilia Maria erfde Keukenhof in 1846. Samen met haar echtgenoot Carel Anne Adriaan baron van Pallandt gebruikte zij het landgoed al als zomerverblijf vanaf de late jaren 1830. Cecilia wilde van het landhuis een modieus kasteel maken en nam architect Elie Saraber in de arm. Hij liet vijf torens rondom het huis bouwen en verplaatste de hoofdingang aan de noordkant van het gebouw naar de westkant. Hier bouwde hij een massieve vierkante toren op een trommelgewelf aan, waardoor het mogelijk werd een ruime entreehal te creëren met een prachtige trap.

Kasteel Keukenhof met de nieuwe hoofdingang. ©Helenes Beeld
De entreehal van het kasteel. De stenen vloer dreigde te verzakken, maar kon door een recente spoedreparatie gered worden. ©Hans Krenger

Ook binnen gaf Cecilia het huis allure. Bij gebrek aan plafondschilderingen liet Cecilia in de twee stijlkamers op de eerste verdieping schilderijen aanbrengen op het balkenplafond. De zogenaamde Blauwe kamer – een officiële trouwlocatie – kreeg ook een bijzondere wanddecoratie. Conservator Charlotte Ebers licht toe: ‘Bij een eerdere restauratie kwamen achter het behang sporen van nagellijsten tevoorschijn. Een foto uit 1914 maakte duidelijk dat de wanden oorspronkelijk waren gedecoreerd met in totaal negentig schilderijen van de Zwitserse landschapsschilder Casper Wolf. Hij had deze schilderijen gemaakt voor een atlas, maar deze kwam niet van de grond en hij verkocht de schilderijen. Vermoedelijk heeft Johan Steengracht van Oostcapelle deze voor Keukenhof aangekocht. Cecilia gebruikte de werken in een speciaal ontworpen lambrisering voor de Blauwe Salon. In 1943 zijn de schilderijen verkocht. Na de Tweede Wereldoorlog werd het statievertrek behangen en raakten de berglandschappen in de vergetelheid tot de restauratie van de kamer. Het bleek niet mogelijk de schilderijen, die nu voor een groot deel in musea hangen, terug te kopen. Daarom is bij de restauratie gekozen voor replica’s.’

Vanuit de Blauwe Kamer kom je in het privévertrek van de baronesse. Het is misschien wel de fraaiste ruimte van het kasteel. Charlotte Ebers heeft de restauratie van deze kamer geleid. Zij vertelt: ‘In deze torenkamer staat haar collectie Chinees en Japans porselein opgesteld op een enorme schouw die is geïnspireerd op een ontwerp van de zeventiende-eeuwse Franse ontwerper Daniel Marot. Er is een haard in deze ruimte, dus je kunt je voorstellen dat zij hier daadwerkelijk zat. Misschien stond er een chaise longue of een bureautje. Aanvankelijk was de torenkamer voorzien van gewoon behang, maar toen bij de sloop van een buitenplaats goudleren behang vrij kwam, heeft Cecilia dit gekocht om de wanden te laten bekleden.
Na al die tijd was dit behang volledig uitgedroogd en had grote scheuren. Het restauratieatelier Nijhof Asser heeft met grote zorgvuldigheid de oorspronkelijke uitstraling van dit prachtige goudleer weer teruggebracht. Bij de voorbereiding van de restauratie kwam ik erachter dat een stuk leer op jaren ’50 triplex was geplakt en zo bevestigd dat het niet opviel. Wat bleek? Duitse officieren die waren ingekwartierd tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden bij hun vlucht in 1945 een stuk leer uitgescheurd als oorlogsbuit. Dit is achter de plaat nog duidelijk te zien. Later moet iemand gedacht hebben, er liggen nog wat resten leer op zolder, ik plak het op triplex en vul het gat.’

De goudleren torenkamer met de porseleincollectie van Cecilia, baronesse van Pallandt. Uiterst links de schouw die was geïnspireerd op een ontwerp van Daniel Marot en de haard. ©Hans Krenger

We lopen de trap op naar de tweede verdieping. ‘Toen ik hier kwam werken, was de tweede verdieping opslagruimte en stond vol met meubelen en andere voorwerpen’, vertelt Charlotte. ‘Tijdens de restauratie hebben we hier de oorspronkelijke dienstbodenvertrekken teruggebracht. Je ziet meteen dat hier het personeel woonde. De trappen, vloeren en wanden zijn eenvoudiger en hier is geen luxe te vinden. Ook binnen het personeel heerste een strikte hiërarchie en dat zie je terug in de grootte en inrichting van de kamers. Het is geweldig dat we nog allerlei originele meubels en spullen hebben waarmee we de vertrekken de juiste uitstraling kunnen geven. We hebben ook geluk gehad. Op een dag in 2014 was hier een dame op bezoek die voor de oorlog als laatste leiding had gegeven aan de dienstbodes. Zij vertelde: hier stond mijn bed en mijn nachtkastje en daar de naaimachine enzovoort. Die kamer hebben we ook zo ingericht.
De laagste in de personeelshiërarchie waren de keukenmeiden. Bij een rondleiding zei een oude dame dat zij hier samen met een vriendin als keukenmeid had gewerkt. Zij hadden een kleine zolderkamer zonder ramen, waarin precies twee bedden en twee stoelen pasten. Dat was alles. De dame vroeg of wij ook hun badkamer hadden gerestaureerd. Badkamer, vroeg ik verbaasd? Het bleek een klein hokje zonder raam te zijn, waar toen een eenvoudig zitbad  stond.’

Een bediendenkamer. ©Oscar de Wit

Na de oorlog braken andere tijden aan. Omdat de woningschaarste enorm was, hebben gezinnen uit Lisse een aantal jaren op de begane grond en op de tweede verdieping in het kasteel gewoond. De laatste particuliere eigenaar, Jan Carel Elias graaf van Lynden woonde toen al permanent in Brabant. Wanneer hij op het landgoed verbleef, woonde hij in het Zwitsers speelhuis. Hier was het gezelliger en warmer dan in het kasteel. Charlotte: ‘Het speelhuis heeft een bewogen verleden. Het is gebouwd in 1850 voor de familie van Pallandt. Hun dochter oefende hier onder leiding van haar gouvernante huishoudelijke taken. Later was het voor hun oudste zoon Frederik Willem Anne een toevluchtsoord tijdens de eindfase van zijn ziekte. De ommuurde tuin wordt daarom de Frederikshof genoemd. We hebben het huis volledig gerestaureerd. De twee opkamers zijn ingericht als negentiende-eeuwse stijlkamers. Het aangrenzende souterrain – de voormalige schuur – is ook hersteld en doet dienst als ontvangstruimte.’

Het gerestaureerde bakhuis ©Hans Krenger

We lopen nog een rondje over het landgoed langs het koetshuis, het washuis en de zeventiende-eeuwse hofboerderij waarin nu horeca gevestigd is. Het bij de boerderij horende bakhuis, de karnmolen én een hondenhok zijn bewaard gebleven. Dat hok was voor de hond die de karnmolen aandreef door rondjes te lopen. Ook in al deze bijgebouwen zijn restauraties uitgevoerd. Dankzij de vele restauraties die met financiële steun van de provincie Zuid-Holland zijn uitgevoerd is het voortbestaan van de monumentale panden voorlopig weer gewaarborgd.

Informatie over de openstelling van het kasteel en het landgoed vindt u op de website van kasteel Keukenhof.