Regioverhalen

Regioverhaal adellijke landgoederen in oosten

Noblesse oblige: behoud het familiebezit

Het gezaghebbende overzichtswerk ‘Kastelen in Gelderland’ (2013) neemt je mee langs de bijna 390 middeleeuwse kastelen en adellijke huizen die Gelderland ooit gekend heeft. Er bestaan er nog altijd ongeveer 170. Hiervan zijn drieënzeventig kastelen of historische buitenplaatsen particulier bewoond en in principe niet toegankelijk voor publiek; vijfenvijftig zijn niet of gedeeltelijk bewoond en wel toegankelijk. Voor al deze huizen geldt dat ze nu nog bestaan dankzij de niet aflatende inspanningen en offers van de eigenaren.

Sommige huizen zijn een, twee of zelfs drie keer verwoest of geplunderd. Voor andere was er jarenlang geen geld voor onderhoud; ze zijn uiteindelijk gered door een bloedverwant of een betrokken buitenstaander. De overgebleven huizen zijn steeds weer herbouwd, verbouwd of verfraaid, met alle toewijding die daarvoor nodig was.

Voor al deze huizen geldt, dat ze nu nog bestaan dankzij de niet aflatende inspanningen en offers van de eigenaren

De middelen
Geld was natuurlijk een eerste vereiste voor het behoud en beheer van de huizen. Het kon binnenkomen via opbrengsten van het landgoed, pachten, inkomsten van eventuele rechten of via de verkoop van producten van het land en van hout. Andere bronnen van inkomsten waren de bestuurlijke banen. Via de ridderschappen kon een eigenaar toegang hebben tot die banen, maar toegang tot de ridderschap vereiste meestal acht adellijke voorouders. Ook een huwelijk kon lucratief zijn. Voor een erfgenaam van een huis was het natuurlijk plezierig als de partner in kwestie geld meebracht.

Als het maar in de familie blijft
Het kwam veel voor dat het bijeenhouden of bijeenbrengen van familiegoed voldoende reden was voor een huwelijk tussen een neef en nicht. Mogelijke complicaties werden voor lief genomen. Omdat het volgens het Gelders recht verboden was, moest er wel dispensatie gevraagd worden aan de Gelderse Landdag. Wie daar geen zin in had, kon in Kleef trouwen. Daar was het niet verboden. Voor katholieke adel moest zelfs vanaf verwantschap in de vierde graad al toestemming gevraagd worden, maar dan aan de kerk.

Trouwverbod
In sommige gezinnen mochten hooguit twee kinderen trouwen, één jongen en één meisje. Soms was een huwelijk alleen voor de erfgenaam weggelegd. Op die manier vloeide het erfdeel van de ongehuwde kinderen vanzelf weer terug naar het familiebezit. Voor meisjes was een trouwverbod ingrijpender dan voor jongens. Die konden de wijde wereld in als het thuis niet beviel. Katholieke meisjes konden het klooster in. Pas in de negentiende eeuw gingen vrouwen het geleidelijk aan hardop zeggen als ze ontevreden waren met hun lot. Vrouwen uit de gegoede families werden niet geacht iets anders te doen met hun leven dan kinderen krijgen, borduren en liefdadigheid.