De Cloese. Havezate aan de Berkel

Eddy ter Braak, e.d., De Cloese. Havezate aan de Berkel, Utrecht 2018

Ieder jaar zien nieuwe monografieën over buitenplaatsen het licht en nog altijd zijn er buitens die een eigen publicatie ontberen. Dat kan men op De Cloese bij Lochem nu niet meer zeggen want vorig jaar verscheen een mooie uitgave over deze van oorsprong havezate aan de Berkel, uit de 14de eeuw. De Cloese wordt dan vermeld in een leenakte van het vorstendom Gelre en het graafschap Zutphen en was toen deel van een groter leen. Na te zijn afgesplitst in 1520, neemt de geschiedenis van De Cloese een eigen loop. De herkomst van de naam De Cloese kan niet eenduidig worden verklaard. Er is in ieder geval geen relatie met een zogenaamde kluis, zoals wooncellen van in afzondering levende kluizenaars (karthuizers of eremieten) worden genoemd. Hier lijkt de naam eerder te zijn afgeleid van het Latijnse woord ‘clausure’ (ook wel ‘clusura’ geschreven) dat een versterkt huis of kasteel kan betekenen. Over de oudste geschiedenis van dit gebied en de omstandigheden waarin het goed ontstaat, heeft Wilma Nijenhuis-ten Arve een bijdrage geleverd.

De bewoningsgeschiedenis van dit goed gaat ver terug, zo blijkt uit de bijdragen van Eddy ter Braak, CeesJan Frank en (‘adelloog’) John Töpfer. Na bewoning door leden van de geslachten Van Keppel, Van Wou kwam het door belening in handen van Herman Schimmelpenninck van der Oye. Hij en zijn nageslacht zouden er ruim een eeuw verblijven om na een kort intermezzo over te gaan op het rijke grond bezittende geslacht Van Heeckeren tot Enghuysen, die in het graafschap Zutphen grote belangen had. Later volgden nieuwe eigenaren waarvan Cornelis J. Sickesz (1839-1904) en zijn vrouw Maria van Harlingen (1841-1907) die voor De Cloese van bijzondere betekenis zijn geweest. Zij gaven de Haagse architect Nicolaas Molenaar (1850-1930) opdracht tot nieuwbouw, die zijn ontwerp, op basis van de oudere vorm, een Hollands classicistisch uiterlijk gaf en verder uitbreidde. Het huis kreeg torens, net als buitenplaats Keukenhof die in de 19de eeuw kreeg. De buitenmuren werden rijk voorzien van lagen natuursteen, ook wel speklagen genoemd. Dit versieringsprincipe werd niet veel later ook overvloedig toegepast bij de bouw van Kasteel Oud-Wassenaar. Overigens zijn er in de vormgeving wel meer parallellen te bespeuren tussen De Cloese en andere (latere) buitens van de architecten Muykens, Van Nieukerken, De Maaker en anderen. Dit onderwerp blijft helaas onderbelicht in de overigens goede bouwkundige bijdrage van CeesJan Frank.

Een tweede bijdrage van Wilma Nijenhuis-ten Arve gaat in op de tuinhistorische ontwikkeling van De Cloese. Zij ontdekte dat het na 1860 ontworpen park van een eerste ontwerp van boomkweker/landschapsarchitect Dirk Wattez (1833-1906) moet zijn geweest. Hij was later ook vaak actief bij de aanleg van parken en tuinen van Twentse opdrachtgevers en veranderde in 1880 ook de tuinen rond kasteel Keppel. Helaas is het archief van deze tuin-ontwerpende familie grotendeels verdwenen. Wat de studieuze achtergronden van de auteurs zijn, blijft in nevelen gehuld. Dat neemt echter niet weg dat zij met elkaar een interessant en veelzijdig boek over De Cloese hebben gemaakt dat bij mij in ieder geval de lust opwekte in de komende maanden eens een wandeling rond De Cloese te gaan maken. RD.

De Cloese. Havezate aan de Berkel verscheen bij Uitgeverij Matrijs te Utrecht. Het is een gebonden uitgave van 176 pag. Het boek is zeer rijk gedocumenteerd met foto’s, kaarten en ontwerptekeningen.

ISBN 978 9053 455 395. Prijs; € 24,95 (incl. gratis verzending)