Cliffrock – The Restoration

Josephine Rombouts, juni 2019

Josephine Rombouts woonde vijf jaar met haar gezin in Schotland en werkte daar op een kasteel. Zij beschrijft in haar boek ‘Cliffrock Castle’ hoe ze opklom van huishoudster tot persoonlijke assistent van de kasteelvrouw. In september verschijnt het vervolg ‘Terug naar Cliffrock Castle’ waarin ze schetst hoe ze meer en meer betrokken wordt bij allerlei verbouwingen en projecten.
Een kleine voorpublicatie uit dit boek geeft een momentopname van de verbouwing van het kasteel zelf. Met alle ups and downs die verbouwingen meestal geven, maar bij een kasteel wat grondiger uitpakken. En als het dan ook nog op een verlaten Schots schiereiland staat, is er ruimte voor nog meer drama.
.

The Restoration

De schilders kwamen tegelijk met een flinke sneeuwperiode. Ze logeerden in de Fisherman’s Cottage want het was te tijdrovend om heen en weer te gaan naar de bewoonde wereld. Op een ochtend reed ik de steile heuvel op naast hun cottage, op weg naar het kasteel.
Ik vind dat de redacteurs van The Restoration van de BBC best pech hebben gehad. Deze verbouwing was per dag kleurrijker, chaotischer en dramatischer dan een van de afleveringen die ik daar ooit van heb gezien.

Terwijl mijn auto de heuvel opzwoegde, zag ik de vier schilders hun voordeur uitkomen en naar hun busje lopen. Net voor het hoogste punt van de heuvel gaf mijn auto het jankend op en begon terug te glijden. Snel liet ik de remmen los en probeerde mezelf uit de berm te sturen en weg van de lage stenen muur. De vier mannen volgden met interesse de auto die steeds sneller naar de voet van de heuvel gleed. Ze keken me na en keerden zich toen om, ik zag ze weer door hun voordeur verdwijnen.
‘Eideard here.’ klonk het krakerig door de hoorn. Ik zat in de staff sitting room te bellen.
‘Waarom zijn jullie niet op het kasteel?’
‘Oh, hallo Josephine. Nou, jij kwam toch ook niet over de heuvel heen?’
‘Ik neem aan dat jullie busje een sterkere motor heeft dan die bak van mij.’ stelde ik vast.
‘Maar dan is er niemand in het kasteel om voor ons de deur open te doen.’ verweerde hij zich.
‘Ik ben er al sinds negen uur, ik ben gaan lopen langs de rivier. Het is nu kwart voor tien.’
   ‘Er is meer sneeuw voorspeld, dadelijk komen we niet meer terug.’

Ik vond dat mijn imitatie van Juffrouw Bulstronk in ‘Matilda’, steeds overtuigender begon te worden.
‘Het is alleen maar een klein half uur lopen.’
   ‘Maar we hebben geen laarzen bij ons!’
Werkelijk? Zat ik met een Schotse kerel te praten die niet door de sneeuw durfde te lopen?
‘Dit kasteel moet wel een keer af,’ zei ik en hing op.

Het volgende half uur liep ik door het lege kasteel dat nog stiller leek dan anders. De leeggehaalde kamers, de meubels die met hun rug naar me toe stonden te mokken in de koude balzaal, de opengereten vloeren en de kale steigers en ladders. Ik was benieuwd of de schilders zouden komen en als, hoe ze dan kwamen en in wat voor stemming. Ik zou zoals gewoonlijk de hele dag alleen zijn met deze vier kerels waar een ongedefinieerd aantal ex-delinquenten bijzat.

 Ze kwamen met hun busje en toen ze binnenliepen zag ik dat ze inderdaad niet erg sneeuwbestendige gymschoenen droegen.
‘Hallo,’ zei ik vriendelijk maar een beetje afgeleid met een meetlint in de hand. De Interior Designer had me net gebeld en wilde graag dat ik alle lampenkappen van de schemerlampen opmat. ‘En dit keer met de maten van de diameter van boven en van beneden, en de omtrek van boven en van beneden, en de afstand van de vloer tot de onderrand en dan van de lamp tot de bovenrand.’
  ‘Hallo,’ zei de voorman. We lieten elkaar met rust als honden die beiden aan de eigen kant van hun territorium blijven. Met stijve benen en haren die overeind staan, elkaar goed in de gaten houdend.
Even later kwam hij me opzoeken. ‘Misschien wil je even naar de trap komen kijken.’ Ik liep mee.
   ‘Het is geen eiken.’

 We keken neer op de kale wandpanelen waar de Interior Designer vol vertrouwen van had vastgesteld dat het van eikenhout gemaakt was. Het was goed dat de schilder me dit kwam melden, want als al het afkrabben, wat twee man de laatste drie weken hadden gedaan, niet het gewenste resultaat gaf, moesten we weer wat anders verzinnen. Mijn neiging om een kreet van afschuw te slaken, mijn haren uit mijn hoofd te trekken en snikkend op de trap te gaan zitten onderdrukte ik. Het zou niet motiverend zijn voor de mannen. Dus ik stond een beetje bedachtzaam te knikken.
  ‘En Alasdair had nog iets gevonden in de Staff Passage.’
Ik hun door de sneeuw laten lopen, zij mij het slechte nieuws vertellen. Alasdair wees met een uitgestreken gezicht op de plinten in de Staff Passage:
  ‘Houtworm.’
‘Ah, juist. Dank voor het signaleren.’ Zelfs voor een leek was duidelijk dat hier een ramp was blootgelegd die een paar weken werk zou geven en een nare klap voor het budget was.
  ‘Moet ik hier nu verder gaan?’ vroeg Alasdair semi professioneel.
  ‘En de panelen bij de trap?’ vroeg Eideard die mee was gelopen. Met net iets van sensatiebelustheid.
‘Ik denk dat jullie vandaag beter de gang op de bovenverdieping af kunnen maken.’ zei ik bedaard.

Zonder veel commentaar vertrokken ze naar boven. Ik kocht tegenwoordig koekjes en chocola voor ze  bij de koffie. Het was niet veel wat ik voor ze kon doen, maar het was iets.