Buitenplaatsen op burgerlijke familieportretten in de Gouden Eeuw, een image boost?

Door Tanny van der Wolf

In hoeverre fungeerde de afbeelding van een buitenplaats op de achtergrond van een familieportret van de gegoede burgerij in de Gouden Eeuw als uiting van zelfrepresentatie? Die vraag heb ik geprobeerd te beantwoorden in mijn masterscriptie Kunst- en Cultuurwetenschappen. Ondanks de vele literatuur over familieportretten en buitenplaatsen uit de Gouden Eeuw was naar dit aspect nog geen onderzoek gedaan.

Jan van de Poll (1721-1801). Bankier en burgemeester van Amsterdam (1787) met zijn zoontje Harman met op de achtergrond ’t Huis te Spijk bij Velsen door Jan Maurits Quinkhard, 1755 (Rijksmuseum, Amsterdam)

Op basis van veertig redelijk gedocumenteerde familieportretten heb ik onderzocht op welke manier die gegoede burgers zich ‘presenteerden’ aan hun publiek en in hoeverre de afgebeelde buitenplaatsen daarbij een rol vervulden. Aanvullende gegevens over die burgers en buitenplaatsen vond ik in overzichten van vroedschappen, (digitale) archieven en publicaties uit en over de Gouden Eeuw. Toch bleven er ‘zwarte gaten’ over. Zo zijn er vrijwel geen opdrachten aan schilders overgeleverd. Veel buitenplaatsen zijn gesloopt, families zijn uitgestorven of buitenplaatsen en families op schilderijen hebben eeuwenlang onder een verkeerde naam bekend gestaan. Ook moest ik ervoor oppassen geen moderne opvattingen over zelfrepresentatie en intermenselijke verhoudingen te plakken op de burgers uit de Gouden Eeuw.

Betrouwbaarheid en kredietwaardigheid
De redenen om een buitenplaats op een familieportret te laten afbeelden waren divers. Het kon gaan om het uitstralen van betrouwbaarheid en kredietwaardigheid, belangrijk voor kooplieden en fabrikanten. De afbeelding van een buitenplaats of buitenhuis op het familieportret kon hiertoe bijdragen. Daarbij was het belangrijk dat die familie degelijk overkwam en zich naar ‘sijnen staet ende beroepinghe’ kleedde. Dit zal Hendrick Jansz. Meebeeck Cruywagen, victualiehandelaar (handelaar in levensmiddelen) en zeilmaker in Amsterdam, waarschijnlijk voor ogen hebben gehad, toen hij zich met zijn gezin rond 1642 liet portretteren door (waarschijnlijk) Jacob van Loo. Centraal op het schilderij is zijn schoonmoeder afgebeeld, op dat moment de eigenaar van het huis op de achtergrond buiten de Haarlemmerpoort te Amsterdam. Het bokje dat door twee zoons wordt vastgehouden (een bekende opvoedingsmetafoor in de Gouden Eeuw) en de manier waarop Meebeeck Cruywagen zijn vrouw bij de hand houdt, benadrukken dat hier om een deugdzame (en dus betrouwbare) huisvader met zijn gezin ging.

Familie Meebeeck Cruywagen bij de poort van hun buitenhuis aan de Uitweg bij Amsterdam rond 1640-1645, toegeschreven aan Jacob van Loo (1614-1670) (Rijksmuseum, Amsterdam)

Tien jaar later liet koopman Jeremias van Collen zich met zijn gezin door (waarschijnlijk) Pieter van Anraedt flamboyanter afbeelden. We zien een koopman die het gemaakt heeft. Het schilderij is ruim opgezet. Het gezin bevindt zich op een voornaam klassiek (vermoedelijk fantasie-)terras en is gekleed volgens de laatste mode. De buitenplaats, Velserbeek, is goed zichtbaar. Waarschijnlijk leefde Van Collen toch wel boven zijn stand, want enkele jaren later werd hij failliet verklaard …

Waarom Huis te Manpad in Heemstede zo klein is afgebeeld op het portret van de Amsterdams brouwer Hendrick Zegerszn. van der Kamp is niet duidelijk. Hij liet Bartholomeus van der Helst in 1655 een portret schilderen van zichzelf en van zijn toenmalige vrouw, Hester du Pire. Op de achtergrond van het mansportret zijn de contouren van Huis te Manpad te onderscheiden. Hester du Pire had dit geërfd van haar eerste echtgenoot en Van der Kamp wist in 1655 al dat hij het na haar dood niet zou erven. Het zou dus logischer zijn geweest de buitenplaats achter de vrouw weer te geven. Was Van der Kamp boven zijn stand getrouwd, maar wilde hij toch uitdrukken dat hij ‘iets’ met de buitenplaats had? Is de buitenplaats daarom zo klein afgebeeld?

Huis te Manpad te Heemstede @René Dessing

Bouw of aanschaf van een buitenplaats
De bouw of aanschaf van een buitenplaats was eveneens een reden om zich te laten portretteren. Dat is het geval bij het portret van Jan van de Poll met zijn oudste zoon, Harmen Hendrick, door Arnold Boonen. Jan van de Poll was schepen en burgemeester in Amsterdam en curator van de Universiteit Leiden. Hij had in 1700 ‘t Huis te Spijk bij Velsen gekocht en vond dit blijkbaar een reden om zich kort daarna met zijn zoon te laten portretteren. Het huis was belangrijk voor de familie. Ook zijn moeder is later geportretteerd met dat huis op de achtergrond, hoewel zij er geen enkele band mee had. Zijn kleinzoon heeft zich een eeuw later eveneens met ‘t Huis te Spijk op de achtergrond laten portretteren met zijn oudste zoon. Helaas is het huis in de negentiende eeuw gesloopt.

Jan van de Poll (1668-1745) en zijn zoon Harmen Hendrick (1697-1772) door Arnold Boonen (1669-1729) (Rijksmuseum, Amsterdam)

Geslacht koppelen aan huis
Niet alleen de aanschaf van een buitenplaats was een reden voor een portret. Het kon ook een manier zijn om (net als bij de adel) een geslacht te koppelen aan een huis. Zo liet de kinderloze en zeer vermogende Magdalena Poulle, Vrouwe van Gunterstein en Tienhoven en koopmansweduwe uit Amsterdam, zich met haar jonge neefje Pieter Poulle in 1683 door David van der Plas portretteren. De buitenplaats Gunterstein, die zij tien jaar eerder had gekocht en laten herbouwen, is op drie manieren in het schilderij verwerkt: geheel links in de steigers, in het midden op een zuil met enkele bewonderende bezoekers en rechts op de plattegrond die Pieter Poulle vasthoudt. Magdalena had de bedoeling van Gunterstein een ‘stamhuys’ te maken voor het geslacht Poulle. Daartoe testeerde zij het in 1697 aan haar broer met een fideï commis (waarbij erfgenamen niet vrij zijn te bepalen aan wie zij het geërfde nalaten).

Ridderhofstad Gunterstein in vogelvluchtperspectief door Willem Swidde, (1661 – 1697) (Rijksmuseum, Amsterdam)

Tijdens mijn onderzoek bleek dat de portretten te veel van elkaar verschilden om tot een eenduidig antwoord te komen op mijn startvraag. Behalve de afgebeelde buitenplaats speelden ook zaken als kleding, houding van de geportretteerden, (jacht)attributen, achtergrond en afgebeelde dieren een rol. Mijn conclusie is dat de aanleg en afbeelding van een buitenplaats niet een kwestie is geweest van aristocratisering (het navolgen van de adel). Het was voor de vermogende burgerij een manier om te laten zien dat zij zich de gelijke voelde van de adel. Daartoe kon de afgebeelde buitenplaats dienen, maar ook de andere hierboven genoemde symbolen die bij het imago pasten. Hoewel er niet één duidelijke reden te geven is waarom vermogende burgerfamilies zich soms lieten afbeelden met een buitenplaats op de achtergrond, heeft zelfrepresentatie een belangrijke rol gespeeld.