Buitenplaatsen in ‘s-Graveland

Oorspronkelijk is dit een omvangrijk heidegebied met talrijke moerassen, meertjes, stuifduinen. Zo’n gebied noemt men een wildernis want er was daarvoor nooit eerder gebouwd of bebouwd. Het land was eigendom van de graven van Holland waarmee tegelijk de naam van het dorp is verklaard. Omdat het gebied op de grens ligt van het Sticht Utrecht (zo noemde men Utrecht toen), was er in dit gebied geregeld ruzie.  De Erfgooiers bezaten het eeuwenoude voorrecht om hier gratis schapen op de heide te mogen weidden. Ook veenafstekers en mensen die hier zand afgroeven, hadden hier zakelijke belangen en er waren boeren maar door de arme grond was hun aantal klein. De graven van Holland en hun edelen maakten van deze streek vaak gebruik om er te kunnen jagen op waterwild.

Een Amsterdamse ontginning

In Amsterdam zochten rijke kooplieden op zoek naar investeringsmogelijkheden tijdens de 17de eeuw. Een groep van zes kooplieden zag kort na 1600 brood in gebiedsontwikkeling van dit heidegebied. Na een gezamenlijke geldinleg kochten zij 320 hectare grond van de hier toezichthoudende Algemene Rekenkamer. Dit ging echter niet zonder vlag of stoot want de Erfgooiers protesteerden heftig tegen hun komst. Na een serie processen die zich ruim twintig jaar voortsleepten, wonnen de Amsterdammers en waren de Erfgooiers hun aloude rechten kwijt. Wel zullen die tegelijk blij zijn geweest met de aanleg van een verharde weg en betere waterverbindingen om in Amsterdam hun producten te kunnen verkopen.

Van agrarisch gebied naar buitenplaatsstrook

Aanvankelijk was het de bedoeling om hier landbouwgrond aan te leggen waarmee ook een begin is gemaakt door zand af te graven. Hierna werd de heide en laagveen met mest en organische afval uit Amsterdam verrijkt en verdween het zand naar Amsterdam om te worden benut bij stadsuitbreidingen. Op basis van hun inleg werden de gewonnen 27 rechthoekige kavels landbouwgrond verdeeld. Iedere eigenaar was bovendien verplicht om afwateringssloten te graven en boerderijen met schuren te bouwen. Er werd veel boekweit verbouwd en dat leverde als bijproduct honing op want boekweit bloeit. Die honing werd in Amsterdam op de markt verkocht. Later tijdens de 17de eeuw zette men het gebied toch om naar buitenplaatsen zonder dat precies bekend is waarom dit gebeurde. Misschien waren landbouwcrises een aanleiding of verwachtte men meer opbrengst uit hout van de bossen bij buitenplaatsen.  

De buitenplaatsen in ‘s-Graveland

  • Brambergen
    Op boerderij Brambergen is een zogenaamde herenkamer aanwezig. Hier verbleef de Amsterdamse eigenaar tijdens de zomermaanden waarna hij en zijn gezin weer terugkeerden naar Amsterdam. Brambergen werd in 1643 gebouwd en is goed bewaard gebleven. Het is ook een van de oudste gebouwen in de streek. 
  • Schaep en Burgh
    Destijds waren de kavels waarop Schaep en Burgh werd aangelegd van Abel Matthijszn. Burgh. Hij bouwde hier een modieuze hofstede. Na zijn dood erfde neef Gerard Simon Schaep de buitenplaats en dit verklaart de naam Schaep en Burgh. De Amsterdamse burgemeester Schaep stond bekend om zijn gierigheid. Een latere eigenaar was Jan Bernd Bicker. Hij was hier ook dijkgraaf en dus bezat hij hier de meeste grond want in die tijd werd de persoon met meeste land automatisch als dijkgraaf aangesteld. Zijn belang was immers het grootst van iedereen. Nu is Natuurmonumenten eigenaar van de buitenplaats.  
  • Berg en Vaart
    De naam Berg en Vaart verwijst naar een zandophoping die langs de trekvaart lag. Nu is het de enige particulier historische buitenplaats van ’s-Graveland. Het werd in 1780 aangelegd en telt twee hectare. Aan de voorzijde is dit niet waarneembaar maar het huis heeft een L-vorm. Dat is opmerkelijk omdat de meeste landhuizen rechthoekig zijn. Waarschijnlijk is deze afwijkende vorm een ontwerp van de Amsterdamse meester-aannemer Jan Luyten. Hij bouwde onder andere het Occo Hofje aan de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht. Een van de vroegere eigenaren van Berg en Vaart is de Amsterdamse wijnhandelaar P.J. Eyma. Een van zijn nakomelingen stichtte hier vlakbij de hygiënische melkinrichting Berg en Vaart. Deze boerderij dateert uit 1911 en er waren toen 25 melkkoeien. Vanaf de Cannenburgerweg is de opmerkelijke dakconstructie te zien. De hier geproduceerde melk werd gesteriliseerd en ging naar tuberculoseklinieken. In die tijd was er geen antibiotica en er heerste vaak tuberculose op boerderijen door gebrek aan hygiëne en slecht drinkwater. Door zo hygiënisch melk te produceren, liepen de gebruikers geen risico’s. 
  • Trompenburg
    Ooit heette deze buitenplaats Syllisburg, genoemd naar een Deens adellijk bezit van eigenaar Maartenszn Tromp. Hij kreeg de titel van de Deense koning voor verleende maritieme bijstand tijdens een zeeoorlog. Na zijn dood noemde een volgende eigenaar het Trompenburg. De Fransen sloegen hier in 1672 alles kort en klein, waardoor Tromp werd genoodzaakt een nieuw buitenhuis te bouwen. Het resultaat doet in veel opzichten denken aan een schip. Als je op het dak staat, lijkt het alsof je op een scheepsdek staat en binnen is nog een kamer, die de admiraal zelf zijn kajuit noemde. Het vermoeden bestaat dat de Amsterdamse stadsarchitect Daniël Stalpaert het ontwierp. Vanaf de weg zie je een koepel. Die is van binnen beschilderd met allerlei voorstellingen waarop de heldendaden van Harmen en Maarten Tromp zijn afgebeeld. Dat is zeldzaam in ons land. Enkel is er nog de Oranjezaal in Huis ten Bosch waar de heldendaden van Frederik Hendrik wordt verheerlijkt. 
  • Gooilust 
    Je kan het haast niet voorstellen maar tachtig jaar geleden liepen op Gooilust  gnoes, zebra’s en andere exotische dieren rond. Dat was de hobby van Frans Blaauw. Hij was gehuwd met Digna Six, van wie deze bezittingen waren.  Op enig moment kreeg Blaauw het voor elkaar om zijn vrouw op te laten nemen in een psychiatrische kliniek. Hierna was hij haar voogd en kon hij vrij over haar geld en landgoederen beslissen. Zo ging dat toen. Zonder haar zelfs maar te vragen, kocht hij Trompenburg aan. Na verloop van tijd lukte het zijn vrouw om weg te komen uit de kliniek. Zonder dat hij het wist, schonk zij al haar bezittingen aan de toen nog jonge Vereniging Natuurmonumenten. Na haar dood confronteerde de Vereniging Blaauw met het testament en hij zal zeker niet blij zijn geweest. Enkele dieren gingen naar de dierentuin van Wassenaar en zijn later bij een bombardement op Den Haag in 1945 om het leven gekomen. Tegelijk verklaart dit verhaal ook waarom Natuurmonumenten hier zoveel buitenplaatsen heeft.   
  • Moestuin op Gooilust
    Vanouds komen moestuinen voor op buitenplaatsen waar de tuinbaas groente verbouwde voor de keuken van de eigenaar. De tuinbaas overlegde met de eigenaar wat er werd geteeld en geoogst of geplukt. Die producten at men in de zomer en het najaar. Als de familie in oktober terugkeerde naar de stadswoning, dan zond hij hen vaak nog goed gevulde manden met moestuinproducten of leverde dit af bij bevriende buren en vrienden. De goed bewaarde moestuin op Gooilust heeft twee oude tuinmuren met leifruit, een oranjerie, een zogenaamde koude bak en een schuur. In de koude bak teelt men groenten zonder verwarming. Enkel het glas beschermd de teelt tegen kou. De oudste muur (noordmuur) dateert uit 1823 en  vermoedelijk is de andere muur in de vorige eeuw gemetseld. De oranjerie dateert uit 1828. Hier is ook een klein arboretum of bijzondere bomenverzameling te vinden. In de tijd dat Blaauw hier een dierentuin had, stamt het kleine vijvertje. Die was bedoeld als drenkplaats voor vogels.      
  • Hilverbeek
    Bijzonder op Hilverbeek is dat hier voor het eerst in ons land een camelia bloeide.  Deze Aziatische plant werd destijds door eigenaar Hendrik Six naar ons land gehaald en hier in zijn tuin in bloei getrokken. Ook elders hadden buitenplaatseigenaren zulke primeurs. Op de Leeuwenhorst in de Bollenstreek lukte het Casper Fagel in 1680 om als eerste een orchidee tot bloei te krijgen. Koningin Mary II Stuart, de vrouw van koning-stadhouder Willem III en liefhebster van planten en bloemen, kocht zijn hele plantenverzameling aan na zijn dood en liet deze overbrengen naar Hampton Court. Daar zijn nog altijd enige planten in leven uit die collectie. Op Gooilust hoorde je de naam van Digna Six al een keer. Op Hilverbeek woonde haar broer Jan Willem Six, die zijn buitenplaats ook aan Natuurmonumenten verkocht.  
  • Boekesteyn
    Het huidige huis op Boekesteyn dateert vermoedelijk uit 1770 en de naam slaat op de hier vaak voorkomende ‘boeken’ of beuken. 
  • Jagtlust
    Jagtlust behoofde van 1861 tot 1992 tot het familiebezit van de familie Six. De huidige landschappelijke vorm van Jagtlust komt uit de 19de eeuw. Toen was die stijl erg in trek bij eigenaren van buitenplaatsen. Op Jagtlust staan nog twee folly’s. Zulke bouwkundige grapjes werden wel vaker in tuinen van buitenplaatsen aangelegd. Hier op Jagtlust betreft het een zogenaamd hunebed en er is nog een grot.  
  • Spanderswoud
    Het grote gebied werd in de 19de eeuw samengevoegd door het echtpaar Backer-Dedel. Zij hadden beiden sterke familiebanden met Amsterdam en Den Haag. Na 1834 kochten zij de bossen aan om er een productiebos van te kunnen maken.  
  • Sperwershof
    Vlakbij Land en Boschzigt staat de 20ste-eeuwse villa Sperwershof. De naam is ontleend aan de eerste eigenaar Adriaen Dirkszn Sperwer. De nieuwbouw dateert uit 1915 nadat eigenaar Willem Röell was overleden. Hij en andere familieleden waren geregeld hoffunctionarissen in Den Haag. Het is dan ook niet verwonderlijk dat  prinses Juliana, die hier tijdens haar jeugd vaak kwam, bij haar huwelijk een schilderij van deze buitenplaats cadeau kreeg.