Buitenplaatsen in Holland

Veel Hollandse buitenplaatsen zijn in de 17de en 18de eeuw aangelegd. Al vroeg in de Gouden Eeuw ontstonden ze achter de duinen, langs waterwegen en rivieren, zoals de Vliet en de Vecht. Ze verrezen ook op door droogbemaling nieuw gewonnen land, zoals de Purmer en de Schermer. De aanleg van buitenplaatsen ging door tot in de 19de en 20ste eeuw.

Van kastelen naar buitenplaatsen

In de loop der tijd werden sommige kastelen verbouwd tot buitenplaatsen. Zoals het Muiderslot, in de middeleeuwen nog het slot van Floris V, graaf van Holland en Zeeland. In de 17de eeuw diende het als buitenverblijf van dichter, toneelschrijver en historicus P.C. Hooft.

Lusthoven

Oorspronkelijk hadden buitenplaatsen een recreatieve functie. Ze werden aangelegd en onderhouden met het geld dat de eigenaren in de stad met handel verdienden. Kosten noch moeite werden gespaard om heuse lusthoven te creëren.

Buitenplaatsen als artistieke creatie

Veel van de buitenplaatsen werden ontworpen als artistieke eenheid. Eigenaren/opdrachtgevers en ontwerpers zochten daarbij naar de volmaakte verhoudingen. Zo liet de dichter, componist, architect, geleerde en diplomaat Constantijn Huygens in Voorburg in 1642 Hofwijck aanleggen. Dit buiten had oorspronkelijk de vorm van het menselijk lichaam. De ‘benen’ werden echter al in de 19de eeuw ‘geamputeerd’. De prachtige tuin verdween door de aanleg van de spoorlijn Leiden-Den Haag.

Waar kwam het geld vandaan?

Tussen buitenplaatsen en landgoederen bestonden soms grote verschillen. Voor landgoederen waren agrarische activiteiten van levensbelang. Voor het in stand houden van een landgoed waren pachtopbrengsten, veeteelt, land- en bosbouw essentieel. En dat geldt nu nog.

De buitenplaatsen hadden in aanleg andere bronnen van inkomsten. Voor de instandhouding werd handelsgeld aangewend. Agrarische activiteiten waren minder noodzakelijk. Op sommige locaties was er wel een boerderij, maar die leverde meestal alleen aan de keuken van de eigenaar.

Buitenplaats of landgoed?

De scheidslijnen tussen buitenplaatsen en landgoederen waren en zijn niet altijd makkelijk te trekken. Sommige buitenplaatsen groeiden in de loop van de tijd uit tot een landgoed. Andere buitenplaatsen waren van oorsprong landgoederen. Wel duiden we de kern van een landgoed, gevormd door het landhuis en de siertuin, aan als de buitenplaats.

Waarom buitenplaatsen aan het water?

Door de eeuwen heen reisden de Hollandse eigenaren van buitenplaatsen bij voorkeur over water naar hun buitenverblijven. Een logische keuze. De wegen waren vaak slecht begaanbaar, meestal onverhard, soms gevaarlijk. Het verklaart waarom veel buitens langs oevers van rivieren, trekvaarten en (nu verdwenen) meren werden aangelegd. Bovendien kon er met de boot makkelijker veel bagage mee voor een langdurig verblijf, soms van april tot en met oktober.

Lange vakantie

De eigenaar van een buitenplaats, die in het voorjaar de stad verliet, nam inwonend huispersoneel en noodzakelijke huisraad mee. Hij sloot zijn stadswoning af en verruilde de benauwende, stinkende en lawaaierige stad voor zijn paradijselijke buitenverblijf.