Botanische gastronomie als ontwikkelingsmodel voor historische landgoederen: resultaten van een Vlaams onderzoeksproject

Door Steven Heyde, juni 2019

Zeekool

Een letterlijke reconstructie van het verleden is in vele gevallen niet mogelijk. Historische bronnen over het plantengebruik zijn meestal onbestaande. Ook de economische context van weleer die het intensieve beheer van dergelijke landgoederen mogelijke maakte, is niet meer te vergelijken met de huidige toestand. De Gentse tuinbouwspecialist Frederik Burvenich bemerkte in 1878 bijvoorbeeld dat de kostprijs voor de aanleg van een tuinmuur zich na enige jaren kon terugbetalen door er leifruit tegen aan te planten – iets dat in de huidige context totaal ondenkbaar is.[i] De hoge beheerlasten is de belangrijkste bottleneck waardoor vele ommuurde tuinen in verval zijn geraakt of waardoor historische parken veel van hun pracht en praal verloren hebben.

Met een grondige voorstudie en een goed doordacht ontwerp kunnen dergelijke plantencollecties probleemloos geïntegreerd worden in een historisch landgoed. Een gastronomische plantencollectie met pakweg 100 tot 400 unieke eetbare soorten in combinatie met bijvoorbeeld verblijfstoerisme, een restaurant, degustaties, een landgoedwinkel, workshops, educatie, rondleidingen, festiviteiten, productie en plantenverkoop kan een hefboom zijn voor de ontwikkeling van een landgoed tot een unieke publiekstrekker. Het biedt toprestaurants mogelijkheden om te experimenteren met nieuwe gerechten. Daarnaast zijn er tal van andere nichemarkten die kunnen worden bediend bijvoorbeeld met planten die unieke aroma’s leveren voor gebruik in niet-alcoholische of alcoholische dranken en essentiële oliën.

Ruimtelijk kunnen dergelijke eetbare plantencollecties op verschillende manieren worden geïntegreerd op een historisch landgoed. Er kan onder meer gedacht worden aan de integratie binnen een historisch park of tuin waar vroeger tal van uitheemse plantensoorten te vinden waren. Meerjarige eetbare plantencollecties kunnen ook op eenzelfde terrein gecombineerd worden in de vorm van een voedselbos. De term ‘voedselbos’ refereert naar een vorm van landbouw die gemodelleerd is op een rijk en gelaagd bos-ecosysteem met in hoofdzaak meerjarige eetbare planten – niet enkel inheems – waaronder bomen, struiken, meerjarige klimplanten, meerjarige groenten en meerjarige knolgewassen. Een dergelijk bos is een nieuw systeem van extensieve voedselproductie dat momenteel nog volop in ontwikkeling is. Succesvolle praktijkvoorbeelden zijn onder meer de twee voedselbossen Ketelbroek in Nederland en De Woudezel in Vlaanderen.

Momenteel worden er op al twee historische landgoederen in Vlaanderen plannen gemaakt om een dergelijk ontwikkelingsmodel op het terrein te implementeren en daar een business case rond te ontwikkelen. Het toont dat er hier heel wat nieuwe beloftevolle ontwikkelingen op til zijn. Historische landgoederen worden hierdoor opnieuw broedplekken voor innovatie zoals ze dat in het verleden ook zijn geweest. Wie graag meer wil weten, kan contact opnemen met het onderzoeksteam van de Hogeschool Gent dat werkt rond de herontwikkeling van historische landgoederen (website: www.estate-futures.eu, e-mail: steven.heyde@hogent.be).

Kaki aan boom

Het aantal eetbare plantensoorten die op een historisch landgoed kunnen worden aangeplant, is veel ruimer dan vaak wordt verondersteld. De kaki levert eetbare vruchten die in het late najaar afrijpen als de bladeren al van de struik gevallen zijn. In het kader van het onderzoek aan de Hogeschool Gent werd er met een hele reeks specialisten van verschillende disciplines uit binnen- en buitenland nagedacht rond dit ontwikkelingsmodel op het vlak van beleid, toepassingsmogelijkheden, haalbaarheid, ondernemerschap en rendabiliteit.

Foto: Bert de Roo



[i] Frédéric Burvenich, De groenselteelt voor iedereen (Gent: Hoste, 1878), 19.