Regioverhalen

Regioverhaal adellijke landgoederen in oosten

Bezit als bedrijf

De kastelen van de hertog van Gelre, die op strategische plekken verschenen, waren in de eerste plaats gebouwd ter bescherming van mensen en van bezit. De hertogen bezaten diverse kastelen, aanvankelijk op zo’n vijfentwintig kilometer van elkaar verwijderd. In elk kasteel verbleven ze kortere of langere tijd. Zo konden ze de boel controleren én ze konden opeten wat de onderhorigen van de bij het bezit horende land in natura betaalden.

Ook bezitters van heerlijkheden en leenmannen bezaten kastelen met bijbehorende landgoederen, die van belang waren voor het levensonderhoud. Wie dit bezit goed kon managen, kon het behouden en verder uitbreiden. De veranderende tijden vroegen om steeds opnieuw aanpassen.

Kastelen waren in eerste plaats gebouwd ter bescherming van mensen en van bezit

Het Tolhuis te Lobith ca. 1860 (nummer 1551 – 1161, Gelders Archief)

Het Tolhuis bij Lobith; onderdak voor velen
De graven, vanaf 1339 hertogen van Gelre woonden niet in het nieuwe tolhuis, maar kwamen wel regelmatig langs. De tolgelden waren immers een belangrijke bron van inkomsten. Het tolhuis bestond uit een toren, een graanschuur, een tollenaarswoning en een zaal voor de graaf. Rond 1400 werd het huis uitgebreid en kreeg het een voorburcht. In 1477 betrok slotvoogd Johan van Meeckeren het huis, samen met zijn gezin en een priester. Het huis bood ook onderdak aan een tollenaar, een zogenaamde beziender. Hij stelde de hoogte van de tol vast, en een tolschrijver die alles netjes bijhield.

Het personeel kreeg kost, inwoning, brandstof en twee kwarten wijn per dag. Voor de twee paarden van de slotvoogd stond haver en hooi op de begroting. Voorts waren er twee tolknechts, twee poortwachters, twee andere bewakers, een torenwachter, een wagenknecht, een bakker, een brouwer, twee koks, een hofmeester en twee dienstmaagden. Die woonden er wellicht ook allemaal tegen kost, inwoning en een slokje wijn. In de burcht waren tenslotte nog vierentwintig beroepssoldaten ondergebracht. Namens de hertog gaf de slotvoogd drie armen elke dag een maaltijd. Zelf werd de slotvoogd rijkelijker bedeeld. Uit de tol ontving hij net zoveel zout, haring, bokking, kaas, appels en peren als hij nodig had. Zijn salaris werd betaald uit de pachtopbrengsten van drie weilanden en de visserijrechten, die bij het Tolhuis horen.