Nederlandse Buitenplaats als knooppunt van kennis en innovatie

Door Huib J. Zuidervaart, Paul Hoftijzer & Alette Fleischer
(Huygens ING – KNAW / Leiden University Centre for the Arts in Society)

Begin april 2016 is in het kader van Vrije Competitie Geesteswetenschappen van NWO een onderzoeks­voorstel ingediend om gedurende een aantal jaren de hypothese te kunnen uitwerken en beproeven in hoeverre de vroegmoderne Nederlandse buitenplaats functioneerde als belangwekkend knooppunt van kennis, kennispraktijken en innovatie.

Historici zijn het erover eens dat de Moderniteit veel heeft te danken aan de Industriële Revolutie, die op haar beurt, ondenkbaar was zonder de baanbrekende wetenschappelijke ontwikkelingen van de zeventiende en achttiende eeuw. Deze periode van fundamentele verschuiving in het denken met betrekking tot filosofie en wetenschap wordt doorgaans aangeduid als de Wetenschappelijke Revolutie. De aard en de oorzaken van deze belangrijke verschuivingen in onze perceptie van de (natuurlijke) wereld worden nog steeds onvoldoende begrepen. Maar het wetenschapshistorisch onderzoek van de laatste jaren heeft wel aangetoond dat de Nederlandse Republiek in dit proces een grote rol heeft gespeeld.

In een verkenning van de mogelijke oorzaken, heeft de Groningse historicus Klaas van Berkel gewezen op drie factoren die daarbij mogelijk een rol gespeeld kunnen hebben: (1) de laagdrempelige aard van de contacten tussen geleerden en ambachtslieden; (2) de rol van de Nederlandse universiteiten als centra van zowel onderwijs en onderzoek, en (3) de congruentie van de mercantiele en wetenschappelijke waarden in de vroegmoderne Nederlandse handelsgemeenschappen.

Zuidervaart 1

 

David van Mollem (1670-1746) en zijn familie (1740) in de tuin van zijn buitenplaats ‘Zijdebalen’. Aan Van Mollem’s voeten staan een paar wetenschappelijke instrumenten (een tellurium en een pyrometer). Laatstgenoemde instrument is uitgevonden door de Utrechtse hoogleraar Petrus van Musschenbroek, die ook zijn leerboek ‘Beginsels der Natuurkunde’ (1736) aan Van Mollem opdroeg.

 

 

Tot nu toe is het historisch onderzoek met betrekking tot de locaties waar wetenschap werd beoefend vooral gericht op de Nederlandse universiteiten, samen met bijvoorbeeld havensteden als Amsterdam en Rotterdam, die als verzamelplaatsen fungeerden voor wereldwijd verzamelde informatie en waar moderne technologie tot wasdom kwam. Maar wanneer we ons afvragen waar de door Van Berkel gesignaleerde factoren destijds samenkwamen, dan valt direct op dat een voor de hand liggende locatie is gemist, namelijk de Nederlandse buitenplaats. Op die locaties van ontspanning, weg van de drukte van de stad (maar er niettemin nauw mee verbonden), vond een vanzelfsprekende vermenging plaats van genoemde factoren. Hier kwamen de mercantiele en wetenschappelijke wereld bij elkaar; geleerden waren te gast bij welgestelde kooplieden en handelaren, die zo soms tot een mecenaat werden verleid; hier kwamen architecten, timmerlieden, tuinlieden en andere ambachtslieden vrijwel dagelijks aan huis; hier werden kennisgerelateerde goederen uitgewisseld, experimenten gedaan, instrumenten getest en nieuwe ideeën geïnitieerd en uitgeprobeerd. De Nederlandse buitenplaats lijkt wat dit betreft dus deels de rol te hebben overgenomen die de hofcultuur in onze naburige landen vervulde.

Er zijn namelijk legio voorbeelden te geven van Nederlandse buitenplaatsen die met wetenschappelijk studie of technische innovatie zijn verbonden. Om er slechts een paar te noemen: het was op Endegeest (Oegstgeest) dat René Descartes zijn Meditationes de prima philosophia schreef; op Hofwyck (Voorburg) stelde Christiaan Huygens zijn Cosmotheoros samen en sleep hij zijn laatste lenzen; de eerste in Nederland mechanisch (door waterkracht) aangedreven (zijde-)fabriek stond op David van Mollem’s Zijdebalen (Utrecht); op de Hartekamp (Heemstede) ontwikkelde Carolus Linnaeus, zijn vernieuwende taxonomie, dankzij de steun van zijn mecenas, de Amsterdamse bankier George Clifford; op Willem Bentinck’s Sorgvliet (Den Haag) kon Abraham Trembley de poliep ontdekken, maar kon ook Dirk Klinkenberg in 1761 de Venusovergang waarnemen, dankzij de state-of-the-art instrumenten van genoemde Bentinck; Op Jan Osy’s Rosenhof (Rotterdam) kon Johannes van Noorden zijn eerste experimenten uitvoeren met de destijds spectaculaire ‘lugtbollen’. En tenslotte: Nederlands eerste stoommachine is gebouwd en uitgetest op Jan Hope’s Groenendaal (Heemstede).

Zuidervaart 2                       Zuidervaart 3

Nederlands eerste stoommachine stond op Jan Hope’s buitenplaats ‘Groenendaal’ te Heemstede

De Nederlandse buitenplaats is echter nooit vanuit dit wetenschapshistorisch perspectief samenhangend onderzocht. Het nu ingediende voorstel beoogt deze belangrijke leemte in onze kennis van de weten­schaps­ontwikkeling op te vullen door middel van drie met elkaar samenhangende studies. Door een dergelijk onderzoek naar de rol van de Nederlandse buitenplaats als knooppunt voor kennis en innovatie zou enerzijds een lacune worden gevuld in onze historische kennis aangaande de wetenschaps­ontwikkeling in de Lage Landen, maar zou anderzijds ook worden voldaan aan de dringende behoefte tot meer kennis over de rol van de buitenplaats in het verleden. Dit onderzoek ondersteunt daarmee het besef dat de materiële overblijfselen van de Nederlandse Gouden Eeuw niet alleen bewonderd kunnen worden in de steden, maar ook op de talrijke landgoederen, die ooit ook functioneerden als knooppunten van kennis en innovatie.