De Oude Rijn

De Oude Rijn: een verdwenen en grotendeels vergeten buitenplaatslandschap gereconstrueerd

Door Gerrit van Oosterom

Buitenplaats Oog in Al bij Utrecht in ca. 1760
Buitenplaats Oog in Al bij Utrecht in ca. 1760

Op een woensdag 20 mei 1699 verlaat de Leidse rechtenstudent John Talman, zoon van de bekende Britse elite-architect William Talman, de sleutelstad voor een lange wandeling richting Woerden langs de oevers van de Oude Rijn. Zoals bij al zijn wandelingen legt John zijn indrukken vast in de vorm van schetsen en aantekeningen in een dagboek. Naast wetenswaardigheden over kerken, molens en de Wierickerschans is het verslag van dit uitstapje vooral een opsomming van de vele buitenplaatsen die volgens hem het landschap langs de rivier bijzonder aangenaam maken. Talman´s dagboek is één van de weinige ooggetuigenverslagen van het moment waarop het eeuwenoude agrarisch cultuurlandschap langs de Oude Rijn langzaam verandert in wat we tegenwoordig een ‘buitenplaatslandschap’ noemen. Een gebied waar buitenplaatsen het landschapsbeeld bepalen en stedelijke cultuur en rurale cultuur zich op allerlei niveaus vermengen.

Als we dezelfde wandeling nu maken zullen we veel van het landschap dat Talman beschrijft nog herkennen maar van de buitenplaatsen nog nauwelijks iets terugvinden. De meeste zijn al weer ruim anderhalve eeuw geleden teruggegaan naar de kern waaruit ze ooit zijn ontstaan; een boerderij. Een enkele gevelsteen, een paar monumentale hekpijlers en een groot aantal bijzondere boerderijnamen zoals Byelust, Javarust of Knodsenburgh zijn nog verwijzingen naar een wereld die er niet meer is.

Buitenplaats Grijpesteijn bij Alphen in 1904
Buitenplaats Grijpesteijn bij Alphen in 1904

Het buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn is echter niet alleen verdwenen, het is ook grotendeels vergeten en wordt in de literatuur zelden gepresenteerd als samenhangend geheel. De kennis over de motieven en condities die de ontwikkelingsgang van opkomst in de zeventiende eeuw tot verdwijnen in de negentiende eeuw is dan ook uiterst gefragmenteerd. De ambitie van mijn afstudeeronderzoek voor de studie Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen in 2014/2015 was om die totale wereld te reconstrueren en te onderzoeken welke factoren de ontwikkeling van opkomst tot ondergang gestuurd hebben.

Uit die reconstructie blijkt dat er maar liefst 126 locaties zijn vast te stellen waar op enig moment een buitenplaats heeft gelegen. Van al die locaties is het eigenaarschap gereconstrueerd om van daaruit op te schalen naar de schaal van het gebied als geheel; het buitenplaatslandschap en de buitenplaatscultuur. Door te zoeken naar verbanden op dat schaalniveau tussen groepen eigenaren, type buitenplaatsen en de landschapsgeschiedenis van het gebied ontstaat een scherper profiel van de eigenheid van dit buitenplaatslandschap. Die eigenheid ligt besloten in drie sleutelfactoren die te maken hebben met de ligging binnen West-Nederland, de aanwezigheid van klei en de permanentie van het agrarisch aspect binnen de buitenplaatscultuur.

Het succes van de Oude Rijn als buitenplaatslandschap kwam allereerst door zijn centrale ligging. Door de ontwikkeling van het netwerk van trekvaarten lag de Oude Rijnzone eind zeventiende eeuw op maximaal vier uur reizen over water vanuit zowel Amsterdam als Rotterdam, Leiden en Utrecht. De geografische achtergrond van de eigenaren beslaat dan ook vrijwel alle steden van de tegenwoordige Randstad waarmee het qua geografische herkomst één van de meest diverse buitenplaatslandschappen van de Republiek moet zijn geweest.

buitenplaats Javarust bij Bodegraven circa 1910 (private collectie A. van Oosterom)
buitenplaats Javarust bij Bodegraven circa 1910 (private collectie A. van Oosterom)

Daarnaast had vooral de kleiwinning, die al vanaf de middeleeuwen rond Woerden en Alphen plaatsvond, grote invloed op de ontwikkeling van het buitenplaatslandschap. Het zorgde voor een opkomst van een nieuwe groep rijken: de kleifabrikanten. Op het moment dat aan het einde van de achttiende eeuw de oude eigenarengroep (met name bestuurs- en handelspatriciaat) het gebied ging verlaten, kregen zij economische, politiek en sociaal momentum. dit onderstreepten zij  door zich te nestelen in het buitenplaatslandschap met de aankoop van oude buitenplaatsen. Hiermee vertraagden ze het sloopproces van de buitenplaatsen dat in die tijd in andere buitenplaatslandschappen zoals de Vecht juist tot een scherpe daling van het aantal buitens leidde. Paradoxaal genoeg waren het diezelfde kleifabrikanten die de later sloop ook juist versnelden. Veel van de buitenplaatsen lagen namelijk op goede kleigronden die in tegenstelling tot de agrarische graslanden nog niet waren afgegraven. De waarde van die ondergrond werd na 1750 al snel groter dan de opstal. Hierdoor werd verkoop van verouderde buitenhuizen met het ´consent tot uitkleien´ dan ook een verleidelijk alternatief voor de oude eigenaren die bovendien hun verouderde buitens rond 1800 steeds moeilijker konden verhuren of verkopen.

Uit het onderzoek blijkt tot slot ook dat de meeste buitenplaatsen langs de Oude Rijn altijd een sterk agrarisch karakter hebben gehouden. De paar monumentale buitenplaatsen met ‘Vechtse allure’ die nog weleens worden aangehaald, zoals Brittenrust of Raadwijk bij Alphen, waren zeker niet de norm. In tegenstelling tot de Vechtstreek werden hier tot aan het eind van de achttiende eeuw nog boerderijen gebouwd met ´alleen´ een monumentaal voorhuis waar de eigenaar verbleef.

voormalige buitenplaats agthoven bij Leiderdorp in 1957
voormalige buitenplaats agthoven bij Leiderdorp in 1957

Dit afstudeeronderzoek vormt een eerste verkenning van het totale veld en zet het Oude Rijngebied als buitenplaatslandschap op de kaart. Er komen allerlei punten naar voren die vragen om vervolgonderzoek. Eén van die vragen wordt door de auteur zelf opgepakt de komende jaren in de vorm van een promotietraject bij het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen. De verwevenheid tussen boerderij en buitenplaats en de wisselwerking tussen agrarisch cultuurlandschap en buitenplaatslandschap die bij de Oude Rijn zo expliciet naar voren komt vraagt om meer onderzoek en vooral om vergelijking tussen gebieden. Boerderij en buitenplaats is dan ook de werktitel voor een volgend promotieonderzoek. Dat onderzoek moet duidelijk maken of het klassieke lineaire ontwikkelingsmodel vanuit de herenkamer naar een ´echte´ buitenplaats zoals dat bekend is uit vooral de Vechtstreek voor andere gebieden mogelijk veel minder opgaat. Wordt vervolgd.

Over de auteur:
Gerrit van Oosterom (1975) studeerde landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen waar hij in de zomer van 2015 cum laude afstudeerde op zijn onderzoek naar buitenplaatscultuur en buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn. Daarnaast is hij als landschapsarchitect werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.
De scriptie is te downloaden vanaf de website van de RUG.