Aalt Willem van Holthe tot Oldengaerde – een Koning Koopman

Door Dirk Schaap, september 2017

Sinds de start van de grootschalige restauratie van Oldengaerde bij Dwingeloo geniet deze havezate het gehele jaar al een ruime belangstelling. Naast het voor Drentse begrippen opmerkelijke, Vingboons-achtige grachtenpandenuiterlijk wordt tevens het interieur aangepakt en zo kent Oldengaerde binnenkort ook een recreatieve bestemming, onder beheer van stichting Het Drentse Landschap. De laatste verandering van het vooraanzicht dateert uit de eerste helft van de 19e eeuw, toen jonkheer Aalt Willem van Holthe tot Oldengaerde (1780-1854) de topgevel liet vervangen voor een lager, houten fronton.

Havezate Oldengaerde

 

 

 

 

 

 

 

 

Aalt Willem van Holthe tot Oldengaerde

 

Over deze Aalt Willem was in de literatuur tot op heden al het nodige bekend. Zo bezat hij naast Oldengaerde ook de de havezaten Batinge en Rheebruggen, was hij eigenaar van twee Surinaamse plantages en werd hij vermogend door de handel in eikenschors. In mijn scriptieonderzoek ben ik op zoek gegaan naar de precieze opbouw van dit vermogen en hoe dit in relatie staat tot de ontwikkeling van het landgoed in de periode 1808-1854.

Wanneer Van Holthe Oldengaerde met bijbehorende gronden in 1808 koopt voor 20.000 gulden, lijkt er niet zozeer sprake te zijn van een landgoed in de brede zin van het woord. De havezate en de direct daaraan grenzende gronden vormen de kern van het bezit, wat verder bestaat uit enige verder gelegen percelen.

Aalt Willem en zijn Geertruid Agnes van Dedem (1774 -1858 en geboren op huis Den Berg te Dalfsen) zijn dan ook de eerste adellijke bewoners, na de grote onrust als gevolg van de omwentelingen tijdens de Bataafse Revolutie. Vergelijken we de grootte van het landgoed van 1808 met het moment wanneer Aalt Willems overlijdt in 1854, dan is er sprake van explosieve groei – een uitbreiding van circa 80 naar ruim 600 hectare.

Explosieve groei

Deze groei kent verschillende facetten. In de eerste plaats is Aalt Willem een echte vastgoedman, die grond aankoopt waar dat kan. Ten tweede komt hij door het overlijden van zijn moeder, Roelina Gijsberta Geraldina van den Clooster (1746-1825) in het bezit van stamhuis Rheebruggen en koopt hij zeven jaar later (1832) de tevens in Dwingeloo gelegen havezate Batinge. Beide havezaten overleven Aalt Willem niet. Rheebruggen wordt tot de laatste steen gesloopt en geveild en Batinge raakt steeds verder in verval.

Het zijn dan ook niet de bebouwingen die Van Holthe interesseren – hij gaat er immers niet wonen – maar de gronden. Vooral Batinge zorgt voor een indrukwekkende bezitstoename, wanneer dit eigendom in 1849 wordt meegenomen in de verdeelsleutel van de Marke van Dwingeloo, wat uitmondt in Aalt Willems grootste eenmalige bezitstoename.

Het kopen van dergelijke hoeveelheden grond vergt echter kapitaal. Altijd werd verondersteld dat Van Holthe dit kapitaal vergaarde door de verkoop van eikenschors. In mijn onderzoek heb ik echter aangetoond dat dit breder moet worden gezien. Hoewel zijn handel in de beginjaren nog fungeert als aan een landgoed gekoppeld houtbedrijf – zoals bij de Van den Clooster op Rheebruggen en de Van Dedems op Den Berg – groeit dit door de periode heen uit tot een imperium in bouwmaterialen. In eerste instantie vormt een houtzaagmolen aan de rand van Assen de kern van het bedrijf, wat grofweg tussen 1830-40 wordt uitgebreid met een locatie in Meppel en een nieuwe molen in Assen, op steenworp afstand van bestaande molen. Dit verandert ook de bedrijfsvoering, wat meer en meer omslaat van het verkopen van eigen geproduceerd hout naar het opkopen, bewerken en doorverkopen van producten. Het klantenbestand geeft deze groei treffend weer. Telkens melden zich nieuwe, dikwijls veraf wonende klanten zich bij de firma tot aan Amsterdam toe.

Ten slotte werd verondersteld dat Van Holthe eigenaar was van twee plantages in Suriname, te weten ‘’t Yland’ en ‘De Peperpot’. Dit waren  respectievelijk een suiker- en koffieplantage die nabij de Surinamestroom, dichtbij Paramaribo lagen.

Ook deze veronderstelling moet grondig worden herzien. Uit onderzoek is gebleken dat Van Holthe niet de eigenaar was, maar slechts een klein aandeel bezat. Na het overlijden van zijn schoonouders komen diens overgebleven kinderen – waaronder Aalt, namens zijn vrouw en dus als schoonzoon – in het bezit van een 1/9e aandeel in genoemde plantages. Wanneer zij besluiten dit in onverdeeld bezit te houden, ontstaat na enige ruiling de volgende situatie: Aalt Willem bezit 1.5/7e aandeel van het 1/9e deel. Vanzelfsprekend vormen de plantages dan ook zelden een omvangrijk groot belang in het inkomstenpatroon van Van Holthe. Het leverde hem echter wel relevante contacten op, zoals met de familie De Vos van Steenwijk.

Zo veelzijdig als zijn vermogen was ook zijn werkzame leven. Van burgemeester van Dwingeloo tot lid van de Provinciale Staten van Drenthe en Rijksontvanger van de directe belastingen in Drenthe. Over deze rijkste Drent van zijn tijd is vermoedelijk nog steeds niet alles gezegd.

De volledige scriptie is te downloaden via de website van het Kenniscentrum Landschap.


 

Dirk Schaap studeerde Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij in juni 2017 afstudeerde met een studie naar landgoed Oldengaerde onder het beheer van Aalt Willem van Holthe (1780 -1854). Momenteel is hij op zoek naar een baan binnen het werkveld.